Literatuuropdracht 1

Literatuuropdracht 1

Published on 14 November 2020
HV
Henri Van Moldergem
Henri's Personal Gallery
Transcript
00:00
Henri van Moldergem
00:00
3LAb1 25
00:03
Hoofdpersonage Mette
00:03
Het hoofdpersonage heet Mette. Ze heeft rood en krullend haar. Ze wil er altijd goed uitzien daarom draagt ze meestal make-up. Ze heeft ook een vale huid.
00:12
Mette ben een assertieve tiener, ze komt op voor haar eigen mening. Ze is zeer ad rem, ze weet altijd wat te antwoorden. Ze kan grof uit de hoek komen. Haar karakter is eerder complex en wisselvallig. Ze heeft het soms moeilijk met zichzelf.
00:22
Antagonist
00:22
In dit verhaal is de vader van Mette de antagonist. Hij heeft een heel belangrijke invloed op Mette en op de gebeurtenissen in het verhaal. Wanner Mette haar vader na een lange tijd terugziet is ze verbaasd hoe hij eruit ziet. Hij is van een sobere grijze muis veranderd in een opvallend figuur met sneakers
00:34
Papa Stef Bos
00:40
Ik heb dezelfde ogen En ik krijg jouw trekken om mijn mond Vroeger was ik driftig Vroeger was jij driftig Maar we hebben onze rust gevonden En we zitten naast elkaar En we zeggen niet zoveel Voor alles wat jij doet Heb ik hetzelfde ritueel Papa Ik lijk steeds meer op jou
01:09
De mama van Mette is een nevenfiguur in het verhaal. Ze is kapster en Mette moet vaak helpen in het salon. Na het vertrek van haar man laat de mama van Mette zich een beetje gaan. Na een tijdje krijgt ze opnieuw zin in het leven. Ze gaat vaak uit, komt dronken thuis,... Mette ziet het met lede ogen aan.
01:09
Nevenfiguur
01:23
Een tweede nevenfiguur is Mette's buurjongen Peer. Peer is gek op fietsen maar Mette is vooral gek op Peer. Hij heeft dit niet door en het duurt even tot er schot in de zaak komt
01:32
De mama van Mette en Peer zijn belangrijke personages in het verhaal. Zij zijn de figuren met wie Mette het vaakst contact heeft. Mette kan altijd bij hen terecht. In tegenstelling tot de papa weet je over hen minder.
01:43
'Bekentenis' van Bart Moeyaert
01:43
Ik mag je Nee, ik mag je niet Ik moet je. Dat bedoel ik. Ik heb je lief Nee, heb ik niet Ik word je lief. Dat voel ik.
01:43
Ik ga met jou Nee, ga ik niet Ik sta bij je. Beloof ik. Ben stapel op je Hou je vast Ik. Hou. Van. Jou. Geloof ik.