Zinnen onderzoeken: lijdend voorwerp (LV)

Zinnen onderzoeken: lijdend voorwerp (LV)

Published on 26 October 2020

Uitleg over het lijdend voorwerp.

  • Facebook
  • Twitter
  • Linkedin
SV
Stefanie Van den Bergh
Stefanie's Personal Gallery
Transcript
00:01
Zinnen onderzoeken: lijdend voorwerp
00:06
We zoeken eerst:
00:07
het onderwerphet gezegde
00:10
Daarna denken we na:
00:11
- Welk soort gezegde is  het: WWG of NWG?- WWG: Heb ik alle   noodzakelijke informatie?
00:14
Soms vormen het O en het WWG een goede, volledige zin. 
00:16
Meneer Van Herck schrijft.Mevrouw Van Steenbergen heeft gelachen. Mevrouw Van den Bergh fietst. 
00:17
/
00:18
//
00:19
O
00:19
PV
00:20
/
00:21
/
00:21
//
00:22
O
00:22
PV
00:23
VD
00:24
/
00:25
//
00:25
O
00:26
PV
00:29
Soms vormen het O en het WWG geen goede, volledige zin:er ontbreekt informatie, het lijdend voorwerp  
00:31
Mevrouw Van Steenbergen zet buiten. 
00:33
WIE zet mevrouw Van Steenbergen buiten?WAT zet mevrouw Van Steenbergen buiten?
00:36
Ze zet de storende leerling buiten. Ze zet het vuilnis buiten. 
00:40
Meneer Van Herck zal geven. 
00:43
Meneer Van Herck zal een snoepzak geven. 
00:47
Het lijdend voorwerp: LV
00:49
- bij sommige WWG's heb je een   WIE/WAT-aanvulling nodig: het LV
00:51
- het doet zelf niets: het ondergaat wat  het onderwerp en WWG samen doen
00:53
- het staat niet in elke zin, maar ALS   het er staat, is het noodzakelijk
00:58
HOE vind je dat lijdend voorwerp?
01:00
WIE/WAT
01:01
+ pv
01:02
+ O
01:03
+andere werkwoorden
01:05
WIE/WAT + pv + O                            ?
01:05
+ andere werkwoorden
01:06
Mevrouw Van den Bergh zoekt haar collega. 
01:06
/
01:07
/
01:08
//
01:08
O
01:09
PV
01:10
WIE/WAT zoekt mevrouw Van den Bergh? 
01:11
haar collega
01:14
Mevrouw VDB wil haar collega vinden. 
01:15
/
01:16
/
01:16
/
01:17
//
01:17
O
01:18
PV
01:18
inf
01:19
WIE/WAT wil mevrouw VDB vinden? 
01:20
haar collega
01:23
begint nooit met een voorzetsel.komt niet voor bij een NWG
01:23
Opgelet, een LV:
01:27
LV?
01:28
Mevrouw Van Steenbergen zorgtgoed voor haar leerlingen. 
01:31
Nee, want 'voor' is een voorzetsel. Je stelt hier de vraag "VOOR wie zorgt mevr. VST goed?
01:35
Mevrouw Van Steenbergen helpthaar leerlingen snel verder. 
01:39
JA: Wie helpt mevr. VST snel verder?
01:41
haar leerlingen
01:44
Meneer Van Herck wordt steeds sterker.
01:47
NEE: de zin bevat een NWG, sterker is het NWDWat wordt meneer Van Herck?
01:51
Meneer Van Herck traintzijn spieren. 
01:54
JA: Wat traint meneer Van Herck?
01:56
zijn spieren
02:01
Mevrouw Van den Bergh laat de leerlingen hard werken. Gebruik je verstand!  
02:03
/
02:04
/
02:04
/
02:05
/
02:05
//
02:06
O
02:06
pv
02:07
inf
02:07
LV
02:08
/
02:08
//
02:09
imp
02:09
LV
02:12
Veel succes!